‘Het is wel een goed verhaal,’ denkt journalist en schrijver Henk Blanken als hij hoort dat hij parkinson heeft. Hij struikelt over tegels, kwijlt als hij een ui snijdt, hij beeft of verkrampt. ‘Je gaat er niet dood aan,’ zegt hij, ‘maar het loopt lullig af.’ Vier jaar lang zoekt hij verhalen die zijn verhaal vertellen. Over zijn vader en zijn zoon, over de schilder die God op een ladder zette, over de vriend die verdween in een christelijke commune. Zo ontstaat Pistoolvinger, over ‘al dat onuitstaanbare verdwijnen’. ‘Het went,’ schrijft hij, ‘maar wennen is wachten tot het minder wordt.’